© Collections of the State Library of New South Wales.
Rob.
6 december 2018, door Vincent Blom

Rob was een broer van een vriendin van mijn zus, en even oud als ik. We waren vrienden. Toen ik 9 jaar werd, organiseerde mijn moeder een verjaardagsfeestje. We gingen met zijn vijven – Rob en zijn zus, mijn zus, mijn moeder en ik – naar Madame Tussaud in Amsterdam, en naar de nieuw geopende Burger King bij de Bijenkorf. Mijn vader bracht ons met de auto naar het eindpunt van de Metro in Amsterdam, en zo gingen we samen, voor het eerst, met de metro.

 

De laatste herinnering aan Rob die ik heb, is dat ik samen met hem en zijn moeder naar de Vomar supermarkt ging. Hij kreeg een gele, plastic voetbal van zijn moeder. Toen ze me thuis brachten, zei hij: ‘Zullen we volgende week samen voetballen?’.

 

Een week later bracht een schoolbus mij thuis, vanuit de school in Amsterdam, tot aan de voordeur van ons huis, naast de groentewinkel van mijn ouders. De voordeur van ons huis stond altijd op een kier, zodat wij kinderen, en ook het personeel van de groentewinkel, makkelijk in en uit kon lopen. Voor de groentewinkel stonden stellingen, met uitgestalde groenten, fruit en aardappelen. Ik liep, zoals ik gewend was, de winkel binnen, om mijn moeder en vader gedag te zeggen. Mijn moeder ging altijd even met me mee naar boven, om te kletsen over onze dag.

 

Maar vandaag waren mijn ouders niet in de winkel. Ik liep naar de voordeur van ons huis, achter de stellingen door. Ineens zag ik Rob. Het leek net alsof hij uit de kelder omhoog was komen lopen. Hij vertelde me dat hij was overleden. Dat hij niet kon komen voetballen. En niet meer kon komen spelen.

 

In gedachten liep ik de trap op naar onze woning, die boven de groentewinkel was. Ik voelde geen paniek – ik vroeg me alleen af waarom ik op zo’n manier aan Rob moest denken. Ik ging de gang binnen. Het was erg stil in huis. Ik deed de deur van de woonkamer open, en zag mijn moeder, mijn vader en mijn jonge zusje zitten. Mijn vader zat op een bureaustoel, mijn moeder aan de eettafel. Mijn zusje op de bank. Ze zeiden niets, maar keken me aan – ze hadden op mij gewacht.

 

Ze zochten de goede woorden, om mij, een doof kind, worstelend met taal en woorden, uit te leggen wat er was gebeurd. Misschien was het daarom, dat mijn vader opstond, en me een rouwkaart liet zien – een rouwkaart van Rob, overleden door een ongeluk.

 

Ik schrok. Ik had hem gezien, en geweten dat hij was gestorven. Hij had het me zelf verteld. Ik durfde het niet te vertellen, omdat ik bang was dat mijn ouders me niet zouden geloven. Mijn ouders wisten niet hoe ze met me konden praten. Ze gingen weer aan het werk. Ik huilde. Ik huilde, en dacht aan hoe ik Rob had gezien.

 

Mijn moeder kwam iets later naar me toe, en legde uit hoe Rob was verongelukt. Hij had, van zijn moeder, geld gekregen voor een ijsje, en was op weg gegaan met zijn fiets. Vlakbij de ijswinkel werd hij aangereden door een auto.

 

Na de begrafenis kreeg mijn moeder een kaartje om haar te bedanken dat ze was geweest. Ze was alleen gegaan, bang dat ik de de begrafenis niet aan zou kunnen. Dat bracht me weer aan het huilen. Ik bleef maar huilen. Mijn vader keek me streng aan, en zei dat ik moest stoppen met huilen. ‘Je moet verder gaan met je leven’, zei hij. Ik voelde, naast verwarring, ook een vlaag van boosheid, diep van binnen. Deed het hem dan niets wat er met Rob, mijn vriend, was gebeurd? Maar later in mijn leven heb ik wel begrepen wat hij bedoelde.

 

Een paar weken later kwam ik bij de bakker, en daar zag ik de zus van Rob. Ze vroeg me of ik met haar mee wilde gaan naar hun huis, om over Rob te praten. Ze gaf me een mooie foto van Rob. Ik was blij met de foto.

 

Op weg naar huis kwam ik bij een zebra-pad waar ik moest oversteken. Het voetgangerslicht stond op groen. Ik stapte op de weg om over te steken. En ineens stond de tijd stil. Een windvlaag raasde langs me heen. Ik was bijna overreden door een bus, die niet was gestopt. Verdwaasd, met bonzend hart, stond ik op de weg. Iets verderop was de bus tot stilstand gekomen.

 

De chauffeur van de bus, en de omstanders praatten tegen me, probeerden me gerust te stellen, te troosten. Maar ik kon niets horen, omdat ik doof ben. Ik zag alleen hun gebaren, en dat ze iets wilden zeggen. Ik huilde, en dacht aan Rob. Was het toeval, dat dit mij overkwam?

 

Veel later bezocht ik een medium, en hij vertelde mij over Rob. Hij zei dat hij een droom zag, waarin Rob en ik, met onze armen gespreid, samen over de zee vlogen. Scherend over een waterval, en door de lucht. Wat hij vertelde was waar: die droom herkende ik. Hij legde uit, dat de droom zoveel voor mij betekende, omdat ik niet naar de begraafplaats van Rob had kunnen gaan. Maar het was niet nodig om bij zijn graf te zijn. Ook al kan ik niet naar hem toe gaan, Rob komt bij mij. Op bezoek.