© 2018 Familie Blom.
De wind spreekt, de zon fluistert.
6 december 2018, door Vincent Blom

In december 1967 werd ik in Haarlem geboren, als 5e kind in het gezin. We woonden boven het pakhuis in de Timorstraat. Ik sliep in een kleine kamer, helemaal achter in het huis. Mijn vader verkocht groente, fruit en aardappelen.

 

Drie maanden later gingen we naar de camping. Slapen in een vouwwagen. Maar ik huilde veel – heel veel, en hard. Mijn ouders besloten naar een dokter te gaan. Mijn oor bleek blauw te worden, en met grote spoed werd ik naar het ziekenhuis gebracht. De artsen daar zagen een hersenvliesontsteking, en waren pessimistisch over mijn kansen om het te overleven.

 

Mijn moeder dacht dat ik het niet zou halen. Maar mijn vader gaf niet op. Hij riep mijn naam, en ‘Vechten! Vechten!’ tegen me. Ze zeiden gebeden, samen met mijn broer en zussen, en vroegen God of ik op Aarde mocht blijven.

 

Ik kreeg een infuus in mijn voetje, om aan te sterken. En ik herstelde. Na bijna 2 maanden mocht ik op 30 april, Koninginnedag, naar huis. Mijn moeder droeg me in een warme deken, op schoot, in de auto op weg naar huis. Ik keek omhoog en zag overal vlaggetjes en wimpels – het was wonderbaarlijk. En mijn moeder voelde dat ik hersteld was.

 

Maar niet helemaal. Mijn moeder vetrouwde het niet – kon ik nog wel horen? Ze maakte allerlei geluiden, met pannen in de keuken, terwijl ik in de huiskamer was. Om te kijken of ik wel zou reageren. Maar ik kwam gewoon naar haar toe, om te kijken wat ze aan het doen was.

 

We gingen naar Schiphol, om familie af te halen. Een vliegtuig kwam aan en vloog heel laag over, met machtige, bulderende motoren. Mijn moeder keek naar me. Ik was rustig gebleven, en was niet bang. Toen wist ze dat er iets mis was. En, opnieuw bij de dokter, bleek dat ik inderdaad doof geworden was.

 

En zo ging ik al op twee-jarige leeftijd, met de bus, naar de dovenschool. Mijn moeder vond het verschrikkelijk, dat ik al zo jong naar school moest. Voor enkele dagen in de week, in de schoolbus, tussen oudere kinderen, op weg naar de J.C. Ammanschool. Een school voor ‘indivdueel dovenonderwijs’ in Amsterdam.

 

Heel wazig herinner ik me hoe het er daar uitzag. Een heel oud gebouw aan een kanaal, vlak bij het standbeeld van de Februaristaking. De school was in 1911 opgericht. Bij de school hoorde een ‘voorschool’, voor kinderen vanaf 3 jaar. Die voorschool was een van de eerste in zijn soort, en was gebaseerd op de overtuiging dat je, als doof kind, niet vroeg genoeg kunt beginnen met de ontwikkeling van communicatie, en van horen en spreken. Op andere scholen mochten kinderen die doof waren niet leren communciren met gebaren. Op deze school mocht dat wel.

 

Ik kreeg twee lieve juffrouwen. Juffrouw Marian en juffrouw Kolthek. ’s Morgens leerden we, ieder op ons eigen tempo, simpele woorden. Naast de bal, achter de bal. Op de tafel, onder de tafel. Met tekeningen erbij.

 

 

Vele jaren later. Ik heb over de wereld gereisd. Een HBO diploma behaald, op de Mode Academie. Ik ben getrouwd. Mijn vrouw is, net als ik, doof. Samen hebben we 2 prachtige, horende dochters. In ons gezin verstaan en begrijpen we elkaar feilloos. Doof zijn is geen belemmering om gelukkig te zijn. Doof zijn bepaalt niet wie je bent. Wie je bent, dat bepaal je zelf.